Transitievisie Warmte (3): Monitoring

Nederland heeft in het Klimaatakkoord de ambitie vastgelegd om in 2050 van het aardgas af te zijn. Dit betekent onder andere dat woningen op een andere manier verwarmd moeten worden. Gemeenten hebben de regiorol aangewezen gekregen. Om deze transitie vorm te geven hebben zij hiervoor een plan opgesteld, de zogenaamde Transitievisie Warmte (TVW). De meeste TVWs zijn vastgesteld in 2020 en 2021 en inmiddels zijn de eerste ervaringen met deze plannen opgedaan. Het is dus de hoogste tijd om te kijken wat goed gaat en waar ruimte is voor verbetering. 

In eerdere blogs hebben we het gehad over participatie en de spanning tussen keuzevrijheid en betaalbaarheid. In dit derde deel staan we stil bij de monitoring van de TVW. Hoe zorg je ervoor dat je resultaten navolgbaar maakt en bij kan sturen wanneer nodig? In deze blog gaan we hier dieper op in.

De warmtetransitie is relatief jong en de uitvoering hiervan is nog in de pionier fase. Het is daarom van belang om de monitoring zo in te richten dat er op tijd kan worden bijgestuurd. Dit zorgt ervoor dat de transitie vloeiender kan verlopen en dat beleid doelmatig en doeltreffend kan worden uitgevoerd. We merken dat gemeenten vaak nog zoekend zijn naar hoe de inrichting van monitoring. Landelijk zijn er cijfers maar die lopen vaak achter en lokaal mogen cijfers vanuit privacy redenen vaak niet worden gedeeld. Toch blijkt er best veel mogelijk op het gebied van monitoring. Hieronder leggen we uit hoe je een monitor voor de warmtetransitie kunt inrichten.

Opdelen hoofddoelstelling in behapbare stukjes
De hoofddoelstelling van de transitievisie warmte is vaak om gebouwen aardgasvrij te maken. Het enkel meten van het aantal gebouwen die van het aardgas af zijn zegt echter weinig. Het is daarom nuttig om te kijken naar de stappen die nodig zijn om gebouwen aardgasvrij te maken. Eerst moeten gebouwen geïsoleerd tot “aardgasvrij-ready”. Vervolgens kan er gezocht worden naar een alternatieve verwarmingsmethode om ervoor te zorgen dat gebouwen niet meer afhankelijk zijn van aardgas.

Om de warmtetransitie goed te kunnen monitoren wil je de voortgang op deze twee stappen dus in elk geval inzichtelijk maken. Om te weten welke maatregel je het beste kan nemen is het echter ook van belang dat je weet om wat voor gebouwen het gaat. Daarvoor kan er gekeken worden naar de sub sectoren van de gebouwde omgeving. Hiervoor wordt vaak de volgende onderverdeling aangehouden: Woningen, Commerciële dienstverlening (SBI-codes G-N) en Publieke dienstverlening (SBI-codes O-S en U).

Dit leidt tot cijfers over verschillende typen gebouwen die geïsoleerd zijn en over verschillende typen gebouwen die daadwerkelijk aardgasvrij zijn. Het voordeel is dat deze cijfers door de Regionale Klimaatmonitor per gemeente worden bijgehouden. Een nadeel van deze cijfers is dat ze vaak achter lopen en dat het niet mogelijk is om verder in te zoomen op het niveau van een wijk of dorpskern. Hiermee ontbreekt het dus vaak aan gegevens om echt tijdig en op maat bij te kunnen sturen.

Om dit op te lossen is het volgens ons belangrijk om een niveau dieper te kijken naar indicatoren die wel de mogelijkheid bieden om op dit abstractieniveau uitspraken te doen. We hebben het dan over effect-,  resultaat- en inspanningsindicatoren. In onderstaande afbeelding hebben we schematisch weergegeven hoe deze zich tot elkaar verhouden en na het schema lichten we de verschillende type indicatoren met voorbeelden nader toe.

Effectindicatoren
Wanneer we kijken naar de eerste stap, isoleren, zien we dat er via de Regionale Klimaatmonitor een beeld verkregen kan worden in welke mate woningen en gebouwen geïsoleerd zijn. Er kan bijvoorbeeld gekeken worden naar data die beschikbaar is over de energielabels van de drie eerdergenoemde sub sectoren. Hiermee kan er iets gezegd worden over het effect van de TVW. Als we stilstaan bij de sub sector woningen zijn er gegevens beschikbaar over geldige energielabels. Een energielabel is namelijk maximaal 10 jaar geldig. Een kanttekening hierbij is dat energielabels niet altijd betrouwbaar zijn. Energielabels geven namelijk niet altijd correct weer hoe een woning ervoor staat wat betreft de isolatie, omdat ze lang niet altijd aangepast worden na het aanbrengen van maatregelen en geregeld verouderd zijn. Ook voor de commerciële en publieke dienstverlening zijn er gegevens beschikbaar wat betreft geldige energielabels (zie energielabels commerciële dienstverlening en energielabels publieke dienstverlening).

Daarnaast geeft ook het aardgasverbruik een indicatie van het effect van maatregelen. Het aardgasverbruik als indicator is onder beide stappen ingedeeld aangezien beide effect hebben op het aardgasverbruik. Monitoring kan met gegevens die op gemeenteniveau beschikbaar zijn. Er zijn bijvoorbeeld gegevens beschikbaar met betrekking tot aardgas voor woningen, de commerciële en de publieke dienstverlening. Als het gaat om het totaal aardgasverbruik voor woningen kan het temperatuurgecorrigeerd aardgasverbruik het beste aangehouden worden. Met deze indicator zie je de verbruiksgegevens zonder verstoring door de buitentemperatuur.

Wanneer gekeken wordt naar het aardgasverbruik van de commerciële en publieke dienstverlening, is het belangrijk om je bewust te zijn van de SBI-codes. De SBI-codes, de Standaard Bedrijfsindeling codes, worden gebruikt om economische activiteiten in te delen. Het is mogelijk om met de Regionale Klimaatmonitor trends te monitoren van een specifieke SBI of SBI-cluster.

Resultaatindicatoren
Onder resultaatindicatoren vallen zaken die activiteiten weergeven. Met betrekking tot isoleren kunnen het aantal versterkte gemeentelijke isolatiesubsidies en het aantal isolatiemaatregelen dat via het energieloket is doorgegeven een indicatie geven. Isolatiemaatregelen kunnen nog verder onderverdeeld worden in isolatie van dak, vloer en spouwmuur. Ook is er data beschikbaar voor bronnen die financieel mogelijk maken, zoals het aantal ISDE-subsidies dat per wijk verstrekt is.

Wanneer we kijken naar de tweede stap, zoeken naar aardgasvrije verwarming, zijn er ook een aantal indicatoren. Voorbeelden hiervan zijn het aantal geplaatste warmtepompen in woningen en het aantal nieuwe aansluitingen op een warmtenet. Deze data kan worden achterhaald met de gegevens over hoofdverwarmingsinstallaties die verder uitgesplitst zijn naar verwarmingsinstallatie.

Inspanningsindicatoren
Tot slot raden we aan om inspanningsindicatoren op te nemen in de monitoring. Het gaat in dit geval om het bereik van de eigen acties van gemeenten en/of het energieloket. Hierbij kan gedacht worden aan het aantal bezoekers van informatieavonden over isolatiemaatregelen en/of duurzame warmtealternatieven, het aantal energiescans door het energieloket en het aantal vragen dat binnenkomt bij het energieloket. Het energieloket zal de voornaamste bron zijn voor deze gegevens. Vaak gaan deze zaken om zowel isoleren als het bekijken van aardgasvrije verwarmingsalternatieven. Om deze reden zijn de voorbeeldindicatoren ingedeeld onder beide stappen.  

Wil je zelf aan de slag met het monitoren van de warmtetransitie in jouw gemeente of heb je zelf waardevolle inzichten of toevoegingen? Wij horen dit graag zodat we onze lessen verder kunnen aanscherpen. Neem daarvoor contact op met Olaf.

Olaf Stolwijk

Adviseur
olaf@bureau7tien.nl
in/olaf-stolwijk/