Monitoring biodiversiteit in beleid

De biodiversiteit in Nederland staat onder grote druk. De verscheidenheid aan plant- en diersoorten neemt af en ecosystemen raken verstoord. Veel gemeenten zijn bezig met het herstellen en versterken van de biodiversiteit. Daarvoor nemen ze maatregelen. Het is van belang om uitvoering te monitoren en om te meten of deze bijdragen aan de gewenste impact, zoals meer diverse soorten. Toch is het verband tussen acties en soorten nog lastig te leggen. Ook is het moeilijk om biodiversiteit in cijfers uit te drukken. Hoe kun je toch in beeld brengen of je bijdraagt aan herstel en versterking van biodiversiteit? In deze blog leggen we uit hoe je als gemeente biodiversiteit kunt monitoren en opnemen in beleid.

Monitoringsframework

Als gemeente kan je vooral sturen op biodiversiteit via inrichting- en beheerkeuzes. De uitvoering daarvan kan je monitoren. Daarnaast is het ook belangrijk om condities, soorten en ecosysteemdiensten te monitoren. Dit zegt iets over de impact van je inzet. Het is dus niet het één of het ander. In figuur 1 staat een framework voor hoe biodiversiteit gemonitord kan worden. In de hoofdstukken hieronder leggen we uit hoe je dit framework kunt toepassen in beleid.

Figuur 1. Monitoringsframework voor biodiversiteit.

Monitoring op basis van inzet

Wanneer je op een snelle manier inzichtelijk wilt maken of je als gemeente bijdraagt aan biodiversiteit, kan je de inzet hierop monitoren. Hiermee bedoelen we het bijhouden van acties of maatregelen ten behoeve van het versterken van biodiversiteit. Denk bijvoorbeeld aan inrichting- en beheerkeuzes, zoals de aanleg van natuurvriendelijke oevers of kruidenrijk grasland. Hiermee kan je direct sturen op biodiversiteitsmaatregelen. Het is van belang om dit zo concreet mogelijk te formuleren en hier doelen aan te koppelen. Door dit jaarlijks te evalueren kunnen maatregelen geactualiseerd worden voor de meeste impact.

In beleid kunnen maatregelen bijvoorbeeld als volgt worden geformuleerd:

  • In de gemeente hebben we 5 km aan oevers in de openbare ruimte. Hiervan gaan we de eerste 50% natuurvriendelijk inrichten in 2027 en de rest in 2028. Hier passen we het beheer op aan.
  • Als gemeente brengen we in 2027 het aantal ontbrekende schakels in versnipperde stukken groen in beeld. We zorgen ervoor dat 50% van de ontbrekende schakels is opgeheven in 2030 en allemaal in 2032. Hierbij stellen we eerst de definitie vast voor wat “aaneengesloten” precies betekent.
  • We meten hoe veel verschillende boomsoorten er binnen de gemeentegrenzen aanwezig zijn in 2027. Vervolgens gebruiken we bij nieuwe inrichting- en beheerkeuzes de regel van Santamour als leidraad om diversiteit te waarborgen. Dit betekent dat 10% van het bomenbestand van dezelfde soort is, 20% van hetzelfde geslacht en 30% van dezelfde familie. In 2035 voldoen we aan deze normen.

Om de uitvoering hiervan te monitoren kan je werken met kritische prestatie indicatoren (KPI’s). Het Deltaplan Biodiversiteitsherstel werkt aan een KPI-systematiek. Het Rapport kritische prestatie indicatoren voor biodiversiteit in de openbare ruimte geeft hiervan een overzicht.

KPI’s voor de monitoring van inzet op biodiversiteit zijn bijvoorbeeld:

  • Biodiversiteit in opdrachten; het aantal concrete targets voor biodiversiteitsherstel in opdrachten in het huidige jaar.
  • Aandeel gerealiseerde verbindingen in groen/blauw oppervlak; (aantal gerealiseerde verbindingen/totaal aantal benodigde verbindingen) * 100%.
  • Gerealiseerde biotopen; het aantal doelsoorten waar een bijbehorend biotoop voor is gerealiseerd in nieuwbouw of renovatieprojecten.

Monitoring op basis van condities en soorten

Naast het bijhouden van de uitvoering van maatregelen, kan biodiversiteit inzichtelijk worden gemaakt door het meten van condities en soorten. Met het monitoren van condities bedoelen we ‘het meten van abiotische factoren zoals lucht-, water- en bodemkwaliteit’. Dit geeft inzicht in de gezondheid van ecosystemen. Met het monitoren van soorten bedoelen we ‘het meten van planten en/of dieren die voorkomen in een gebied’. Wanneer soorten terugkomen of toenemen, betekent dit vaak dat de omstandigheden verbeteren. De invloed op condities en soorten is beperkter voor een gemeente, omdat natuur langzaam ontwikkelt en afhankelijk is van veel externe factoren.

Condities en soorten zeggen ook iets over of er aan Basiskwaliteit Natuur (BKN) wordt voldaan. In het Rapport Basiskwaliteit Natuur in beleid wordt BKN uitgelegd als ‘het minimale niveau dat nodig is om te voorkomen dat gebieden structureel natuurarm blijven’. Door ‘de natuurarmoede grens’ te doorbreken zorg je ervoor dat algemene soorten behouden blijven en terugkeren.

Condities en soorten kunnen worden gemeten door ecologisch veldonderzoek of bijvoorbeeld soortentellingen door vrijwilligers. Daarnaast geeft Samen voor Biodiversiteit een overzicht van tools om condities en soorten inzichtelijk te maken:

Monitoring op basis van ecosysteemdiensten

Met de inzet op het realiseren van de juiste condities voor (algemene) soorten draag je ook bij aan klimaat natuur, gezondheid en voedselzekerheid. Dit zijn ook wel ecosysteemdiensten, diensten die de natuur kan leveren die voordelig zijn voor mensen, zoals verkoeling tijdens hitte, wateropvang bij hevige regen of bestuiving van planten. Een gezond ecosysteem kan meer van deze diensten leveren. Een direct verband tussen maatregelen en ecosysteemdiensten is echter lastig te beoordelen. Het meten van ecosysteemdiensten is daarom complex.

De volgende tools kijken ook naar ecosysteemdiensten:

Meer weten?

Wil je meer weten over hoe je biodiversiteitsmonitoring kunt opnemen in beleid? Of ben je benieuwd welke maatregelen je kan nemen voor biodiversiteitsherstel? Neem dan contact op met Ilse.

Ilse van der Giessen

Adviseur
ilse@bureau7tien.nl
in/ilse-van-der-giessen/